|
Rasstandaard van de Shetland Sheepdog
FCI groep 1, ras 88, 24 juni 1987
Engels ras
·
Algemene verschijning:
Een kleine, langharige werkhond van grote schoonheid, in geen enkel
opzicht lomp of grof. Symmetrische belijning zo, dat geen enkel deel
van de hond buiten verhouding is, als men de hond in zijn geheel
beschouwt. De overvloedige vacht, manen en kraag, de lijn die het
hoofd vormt en de lieve uitdrukking vormen met elkaar het ideale
beeld.
·
Karakterastieke kenmerken:
Oplettend, vriendelijk, intelligent, sterk en actief.
·
Temperament:
Aanhankelijk en toegewijd voor de eigenaar, afstandelijk tegenover
vreemden, nooit zenuwachtig.
·
Hoofd en schedel:
Een zuiver belijnd hoofd, dat van boven of van opzij gezien een
lange stompe wig vormt, die van het oor naar de neus smaller wordt.
De breedte van de schedel moet evenredig zijn aan de lengte van de
schedel en aan de lengte van de voorsnuit, waarbij het geheel in
verhouding tot de maat van de hond bekeken moet worden. De schedel
moet vlak zijn, matig breed tussen de oren, terwijl de
achterhoofdsknobbel niet mag uitsteken. De wangen vlak en vloeiend
overgaand in een mooi ronde voorsnuit. De schedel en de voorsnuit
moeten van gelijke lengte zijn, gemeten vanuit het binnenste van de
ooghoek. De bovenkant van de schedel moet parallel lopen met de
bovenkant van de snuit, met een lichte, maar duidelijke stop. Neus,
lippen en oogranden zwart. De uitdrukking, die zo kenmerkend is voor
het ras, wordt verkregen door het volmaakte evenwicht en samengaan
van schedel en voorsnuit, de vorm, kleur en plaatsing van de ogen en
juist geplaatste en gedragen oren.
Snuit: De kaken gelijk aan elkaar, welgevormd en sterk met een goed
ontwikkelde onderkaak. Lippen strak. Gebit gaaf met een volmaakte,
regelmatige en compleet scharende beet, dat wil zeggen; het
bovengebit moet het ondergebit dicht overlappen en met de kaken een
rechte hoek vormen. Een compleet gebit met 42 juist geplaatse tanden
en kiezen is hoogst gewenst.
Ogen: Middelmatig groot en schuin geplaatst, amandelvormig.
Donkerbruin, behalve bij blue merles, waar een of beide ogen blauw
mogen zijn of met blauwe vlekjes.
Oren: Klein, matig breed bij de aanzet, mooi dicht bij elkaar
geplaatst boven op de schedel. In rust naar achter gelegd; bij
aandacht naar voren gebracht en half opgericht gedragen met de tip
naar voren vallend.
·
Hals:
Gespierd, goed gebogen, lang genoeg om het hoofd trots te kunnen
dragen.
·
Voorhand:
De schouders zeer goed naar achter geplaatst. Bij de schoften worden
zij slechts door de wervels gescheiden, maar de schouderbladen
moeten schuin naar buiten aflopen, zo, dat de ribben de gewenste
welving kunnen hebben. Schoudergewricht goed gehoekt. Bovenarm en
schouderblad ongeveer gelijk in lengte. De afstand schoft tot
elleboog en elleboog tot grond moet gelijk zijn. Het voorbeen moet
van voren gezien recht zijn, gespierd en goed gevormd met sterke
botten. Polsen sterk en soepel.
·
Lichaam:
Van de schouderpunt tot aan het laagste punt van het kruis een klein
beetje langer dan de schofthoogte. Borst diep, tot de punt van de
elleboog reikend. Ribben goed gewelfd, terwijl de onderste helft
naar beneden toe smal toeloopt, zodat de schouders en voorbenen zich
vrij kunnen bewegen. Rug recht, de lenden sierlijk gelijnd, het
kruis geleidelijk naar achter aflopend.
·
Achterhand:
De dijen breed en gespierd, terwijl de botten van de dijbeen met het
bekken een rechte hoek vormen. Het kniegewricht heeft een duidelijke
hoeking, het spronggewricht is strak belijnd, scherp gebogen, fraai
naar beneden aflopend, met sterke botten. Het spronggewricht moet
van achter gezien recht zijn.
·
Voeten:
Ovaal, de zolen goed gevuld, de tenen gebogen en dicht bij elkaar.
·
Staart:
Laag aangezet, de staartwervels lopen puntig toe en reiken tenminste
tot aan het spronggewricht. Overvloedige beharing en licht naar
boven gebogen. Mag bij beweging iets hoger gedragen worden, maar
nooit boven de ruglijn uitkomen. In geen geval geknikt.
·
Gangwerk:
Lenig, vloeiend en sierlijk, met stuwing uit de achterhand, de hond
moet met zo weinig mogelijk inspanning een zo groot mogelijk
oppervlak van de grond beslaan. In telgang lopen, breien, rollen of
een stijf gangwerk, waarbij de benen stijf en steil op en neer
worden bewogen, is hoogst ongewenst.
·
Vacht:
Dubbel, bovenvacht met lang, hard en recht haar, ondervacht zacht,
kort en dicht. Kraag en manen zeer overvloedig, de voorbenen fraai
bevederd. De achterbenen boven het spronggewricht rijkelijk met haar
bedekt, onder het spronggewricht met kort haar. Snuit en voorhoofd
met kort haar. Exemplaren met kortharige vacht hoogst ongewenst.
·
Kleur:
Sables: Effen of met zwarte haarpunten, elke kleurnuance tussen
licht goudkleurig tot mahoniekleurig, maar wel warm van tint.
Wolfskleurig sable en grijs sable ongewenst.
Driekleuren: Diep zwart op het lichaam, bij voorkeur met warmbruine
aftekening.
Blue Merles: Helder zilverkleurig blauw, zwart gemarmerd en met
zwarte vlekjes. Bij voorkeur met warmbruine aftekening, maar het
ontbreken daarvan wordt niet als fout gerekend. Zware zwarte platen,
lei- of roestkleurige tinten in boven- of ondervacht hoogst
ongewenst; de algemene indruk moet blauw zijn.
Zwart-Wit en zwart-bruin: zijn ook erkende kleuren.
Witte aftekeningen mogen (behalve bij zwart-bruin en zwart-wit)
voorkomen op de bles, de kraag, en de borst, de poten en de
staartpunt. De voorkleur gaat uit naar het aanwezig zijn van alle
witte aftekeningen of sommige ervan, maar het ontbreken van witte
aftekeningen behoort niet gestraft te worden. Witte platen op het
lichaam zijn hoogst ongewenst.
·
Maat:
-
Ideale schofthoogte: Reuen 37 cm (14 1/2 inchs); Teven 35,5 cm (14
inchs). Meer dan 2 1/2 cm (1 inch) groter of kleiner is hoogst
ongewenst.
·
Fouten:
Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden
beschouwd en de beoordeling van de ernst van de fout moet in
verhouding staan tot de mate waarin de fout zich voordoet.
Opmerking: Reuen dienen twee normaal ontwikkelde en volledig in het
scrotum ingedaalde testikels te hebben.
|